De schout. Een bijzondere functie in de gemeenschap
In de stamboom op deze site heeft Jan Ariens in de 17e eeuw in Wijngaarden deze functie vervuld.
Volgens de overlevering was het een integere en gerespecteerd man, althans gerespecteerd door de meeste burgers. Hij was menselijk maar wel kordaat. Hij beschermde en stelde grenzen.
Natuurlijk waren die lieden die het niet zo op hadden met wetgeving en openbare orde niet zo op hem gesteld Als je zelf iedere keer de fout in ging is het makkelijk zo 'n man een vervelend persoon te vinden.
In de overlevering zijn stukken hoe Jan Ariens optrad tegen een horde mannen die uitstaande normale schulden wilden ophalen en verhaal kwamen halen bij een weduwe die net één dag daarvoor haar man had begraven. "Ongepast" was het oordeel van Jan Ariens. En hij trad hier tegen op en beschermde de vrouw.
Ook is hij ernstig beledigd tijdens een vergadering over rekrutering van jonge mannen bij de burgerwacht. Dit heeft voor de onbehouwen kerel met een te grote mond die de schout ernstig beledigde en bedreigde een fikse straf opgeleverd. Jan Ariens heeft het dus niet altijd makkelijk gehad. Laten we eens kijken naar de functie van een schout van toen. Wat dat nu precies en wat werd van hem verlangd?
De schout Wie was dat?.
|
Rond 1600 was een schout een lokaal bestuurs- en justitiefunctionaris die destijds aangesteld werd door de landsheer of de lokale heer van het gebied. Uit naam van de landsheer voerde hij zijn taken uit. Boven hem stond een Drost of Baljuw waar hij ook verantwoording aan af moest leggen. De schout had dus een belangrijke functie als vertegenwoordiger van het gezag, de landsheer. Hij stond direct in verbinding met de burgerij. Zijn persoonlijkheid was dus belangrijk. De grote eis was dat hij integer, betrouwbaar en absoluut van onbesproken gedrag moest zijn. Rond 1600 kreeg de functie steeds vaker een vaster karakter, waarbij schouten voor een langere periode werden benoemd. Belangrijkste taken van de schout:
|
|
Had de schout middelen om zichzelf te verdedigen zoals de politie nu?
Ja, de schout had zeker middelen om zichzelf te verdedigen, maar zijn 'uitrusting' was heel anders dan die van de politie nu. Waar een moderne politieagent een uniform, handboeien, pepperspray, een uitschuifbare wapenstok en een vuurwapen heeft, droeg een schout rond 1600 vooral de statuswapens van de vroegmoderne tijd. [1]
De verdediging en slagkracht van de schout bestond uit de volgende middelen:
-
Persoonlijke bewapening
Als man van stand en vertegenwoordiger van de wet droeg de schout wapens die pasten bij zijn status: Het degen of zwaard: De schout droeg vrijwel altijd een degen aan zijn zijde. Dit was zowel een statussymbool als een effectief steek- en slagwapen voor zelfverdediging. Vroege vuurwapens: Rond 1600 kwamen vroege pistolen (zoals het radslotpistool) op. Een schout nam deze soms mee als hij op pad ging voor gevaarlijke arrestaties, hoewel ze onbetrouwbaar waren in de regen en traag laadden. [1] -
Zijn assistentie: De Rakkers en Schutterij
Een schout ging bij risicovolle klussen bijna nooit alleen op pad. Hij werd vergezeld door zijn gerechtsdienaren, in de volksmond 'rakkers' genoemd. Zij waren het 'spierballenwerk' van de schout en waren zwaarder bewapend: [1, 2, 3]
Hellebaarden: De rakkers droegen vaak hellebaarden (lange houten assen met een ijzeren bijl- en speerpunt). Hiermee konden ze verdachten op afstand houden, groepen uiteen drijven of aanstormende ruiters stoppen.
Knubbels en knuppels: Voor het lichtere werk en het overmeesteren van dronkaards gebruikten ze houten knuppels. [1]
Als er een grote opstand uitbrak, een bende de stad introk of de schout te maken kreeg met zware rellen, waren zijn rakkers niet genoeg. In dat geval kon de schout de schutterij oproepen. Dit was een burgerwacht van bewapende inwoners (vaak gildeleden) die beschikten over musketten, lansen en zwaarden. Zij fungeerden als de 'ME' van de 17e eeuw. [1, 2, 3, 4]
-
Het ultieme 'wapen': De Justitiestaf
Het belangrijkste verdedigingsmiddel van de schout was paradoxaal genoeg een houten of metalen staf: de justitiestaf of roede. Vaak een houten roede met een zilveren knop of ornament. Dit was geen slagwapen, maar het symbool van zijn koninklijke of grafelijke macht.
In de 17e eeuw gold de wet: wie de schout aanraakte of aanviel terwijl hij zijn staf omhoog hield, pleegde directe majesteitsschennis en rebellie tegen de staat. Hier stonden draconische straffen op, tot de doodstraf aan toe. De angst voor deze juridische gevolgen was vaak een groter afschrikkingsmiddel dan een zwaard.
Soortgelijke regels zouden ze nu weer in moeten voeren voor alle hulpverleners; immers als de overheid fout zit zijn er legio mogelijkheden om dit aan de kaak te stellen.
De schout miste de 'sub-letale' (niet-dodelijk controlerende) middelen die de politie nu wel heeft. Als een schout of zijn rakkers geweld moesten gebruiken, werd het snel heel bloederig. Juist omdat ze geen pepperspray of stroomstootwapen hadden, probeerden schouten situaties in de eerste plaats op te lossen met verbaal gezag en de dreiging van zware juridische repercussies.
Welke handvatten / wetten had de schout om zijn taak uit te voeren?
Lokale wetten: Keuren en Plakkaten
Ieder gewest (zoals Holland of Friesland) en bijna iedere stad of dorp had eigen, specifieke geschreven regels. [1, 2, 3]
Keuren: Dit waren de lokale wetboeken en verordeningen van een stad of rechtsgebied. Hierin stond precies wat wel en niet mocht op de markt, hoe hoog muren moesten zijn, en welke straffen stonden op diefstal of vechtpartijen binnen die specifieke stadsmuren.
Plakkaten: Dit waren wetten en besluiten die door de Gewestelijke Staten (het provinciale bestuur) of de Staten-Generaal werden uitgevaardigd. Ze werden op papier gedrukt en letterlijk als een plakkaat op openbare gebouwen gespijkerd om aan het volk bekend te maken. [1]
Veel recht was ongeschreven en gebaseerd op eeuwenoude tradities: "zo deden we dat hier altijd al". In de 16e en 17e eeuw begon men deze lokale gewoonten steeds vaker op te schrijven in zogenaamde costumenboeken of costumiere. Als er in een stad ruzie was over een erfenis of een grensgeschil, keek de rechter in het costumenboek van die regio.
Wanneer het lokale recht of het gewoonterecht geen antwoord bood op een ingewikkelde juridische vraag, greep men terug op het Romeinse recht. Dit was terug te vinden in het Corpus Iuris Civilis, een reusachtige verzameling wetten van de Romeinse keizer Justinianus uit de 6e eeuw. [1, 2]
Omdat juristen en rechters aan de universiteiten (zoals de toen net opgerichte Universiteit Leiden) in het Romeinse recht werden opgeleid, raakte dit recht compleet verweven met het Nederlandse gewoonterecht. Dit mengelmoesje noemde men later het Rooms-Hollands recht. [1]
Omdat er zoveel verschillende regels waren, leunden schouten en rechters zwaar op juridische handboeken van bekende juristen uit die tijd.
Criminele Ordonnantiën (1570): Dit waren wetten over strafrecht en procesrecht die ooit door de Spaanse koning Filips II waren ingevoerd. Hoewel de Republiek in 1600 in oorlog was met Spanje, bleven deze ordonnantiën nog heel lang in gebruik omdat ze simpelweg de beste richtlijnen boden voor hoe een schout een strafproces moest aanpakken. [1]
Hoewel iets later gepubliceerd, schreef de beroemde jurist Hugo de Groot rond 1620 hét standaardwerk waarin hij alle warrige regels en wetten van Holland voor het eerst helder structureerde. []
Als een schout rond 1600 dus recht moest spreken, keek hij eerst in de stads-keuren, dan in de provinciale plakkaten, vervolgens naar de lokale costumen, en als hij er écht niet uitkwam, sloeg hij het eeuwenoude Romeinse recht erop na. [1]
Welke straffen hadden ze in de middeleeuwen?
Voor het overgrote deel van de dagelijkse overtredingen koos men bewust voor financiële straffen, en wel om een aantal hele praktische redenen: [1, 2]
Welke vergrijpen kregen een boete?
In de 17e eeuw kreeg een schout meestal geen vast, modern maandsalaris. Hij leefde voor een groot deel van de opbrengst van de boetes die hij uitschreef (de zogenaamde compositie). De schout had er dus persoonlijk alle belang bij om overtredingen af te doen met een geldboete in plaats van een lijfstraf. Hij mocht de boete vaak schikken met de dader nog vóórdat de zaak officieel voor de rechter (de schepenen) kwam. [1]
Men keek toen ook economisch naar het uitdelen van straffen. Een dader die publiekelijk werd verminkt (zoals het afhakken van een hand of een oog uitsteken), kon daarna zijn vak niet meer uitoefenen. Zo iemand werd een bedelaar en een last voor de armenzorg van de kerk of de stad. Een geldboete daarentegen bracht geld in het laatje van de gemeenschap (en de schout). [1, 2]
In de lokale wetboeken (de keuren) stonden de boetes nauwkeurig vastgelegd. Dit gold voor zaken als:
De rechtspraak in 1600 was hard als het moest, maar heel pragmatisch en commercieel als het kon. [1, 2, 3]
Het alternatief voor wie niet kon betalen: Schandstraffen
Als een arme sloeber een overtreding beging maar de geldboete absoluut niet kon betalen, werd er overgegaan op een schandstraf. Dit was geen lijfstraf (er werd geen blijvend lichamelijk letsel toegebracht), maar een psychologische straf. [1, 2]
De dader werd dan een paar uur in de schandpaal of het schandblok op het marktplein gezet. De gemeenschap mocht de dader dan uitlachen, uitschelden of bekogelen met rot fruit of vuilnis. Zo werd de orde hersteld door publieke vernedering, zonder dat het de stad geld kostte of de dader arbeidsongeschikt maakte. [1, 2, 3, 4, 5, 6]
Aan wie de schout precies verantwoording moest afleggen, hing af van zijn werkplek:
-
Op het platteland: De Heer van de Heerlijkheid
Veel gebieden op het platteland waren destijds 'ambachtsheerlijkheden'. De schout werd hier rechtstreeks benoemd door de lokale adellijke heer of een rijke burger die de rechten van dat gebied had gekocht. De schout was de persoonlijke vertegenwoordiger van deze heer. Hij moest aan hem rapporteren en een deel van de geïnde boetes en belastingen aan de heer afdragen.
In grote gebieden zoals in Holland zat daar nog een Drossaard of Baljuw tussen. Dit is eigenlijk dezelfde functie alleen deze man werd in het Oosten van Nederland Drossard en in het Westen Baljuw genoemd. -
In de grote steden: De Stadsregering (Vroedschap en Burgemeesters)
In de machtige, autonome steden (zoals Amsterdam, Leiden of Haarlem) lag het anders. Hoewel de schout formeel namens de landsheer (of later de Gewestelijke Staten) werd aangesteld, werd hij in de praktijk voorgedragen en betaald door het stadsbestuur (de burgemeesters en de vroedschap). Als een schout zijn werk niet goed deed, ruzie maakte met de burgemeesters, of de stadsrechten niet respecteerde, zorgde het stadsbestuur er snel voor dat hij werd vervangen. -
Financieel en juridisch: De Rekenkamer en het Hof
Omdat de schout een publieke functie bekleedde, werd hij ook gecontroleerd door hogere overheidsinstanties:
Financieel: De schout moest periodiek zijn administratie en de opbrengsten van de boetes laten controleren door de Rekenkamer van het gewest (zoals de Rekenkamer van Holland).
Juridisch: Als de schout zijn boekje te buiten ging, te corrupt was, of de wet verkeerd naleefde, konden burgers of lokale bestuurders over hem klagen bij het Hof van Justitie van het gewest (bijvoorbeeld het Hof van Holland). Dit hogere gerechtshof kon de schout dwingen om verantwoording af te leggen.
De schout was dus een machtig man, maar hij opereerde altijd in de schaduw van de adel, de rijke stadsregenten en de provinciale rekenkamers die hem scherp in de gaten hielden.
Publieke opinie over de schout.
De reactie van de burgerij op de schout viel of stond inderdaad met zijn integriteit en rechtvaardigheid. Omdat het rechtssysteem rond 1600 nog geen onafhankelijke politie en rechters kende zoals nu, was de schout in zijn eentje de spil waar alles om draaide.
De burgerij keek met een heel scherp oog naar de schout, en de dynamiek tussen hen was inderdaad uiterst wisselend:
-
De schout als 'vriend' en beschermer
Wanneer een schout integer en rechtvaardig handelde, genoot hij veel respect en steun van de burgerij. Bescherming van de gemeenschap: Burgers hadden de schout hard nodig om dieven, oplichters, moordenaars en overlastgevers aan te pakken. Een rechtvaardige schout zorgde ervoor dat de markt eerlijk verliep en dat de straten 's nachts veilig waren. Sociale controle en hulp: Omdat de schout weinig eigen manschappen had, was hij voor het oplossen van misdrijven volledig afhankelijk van de burgers. Als een schout als eerlijk bekendstond, waren burgers veel sneller bereid om getuigenissen af te leggen of een verdachte zélf te overmeesteren en aan de schout over te dragen. -
De schout als 'vijand': De prikkel tot corruptie
Aan de andere kant was het systeem rond 1600 zo ingericht dat corruptie en willekeur heel verleidelijk waren voor een schout. Dit leidde regelmatig tot diepe minachting en haat bij de burgerij.
Boetejagerij: Zoals eerder genoemd, leefde de schout van een deel van de boetes. Een corrupte of gierige schout ging actief op jacht naar overtredingen om zijn eigen zakken te vullen. Hij beboette dan arme burgers voor futiliteiten, terwijl hij rijke burgers (die hem steekpenningen betaalden) met rust liet.
Klassenjustitie: Als de schout te nauw de hand boven het hoofd hield van de rijke regenten en burgemeesters, zagen de gewone burgers hem als een onderdrukker.
Als een schout zijn boekje te buiten ging en de grens van rechtvaardigheid overschreed, kon de sfeer onder de burgerij razendsnel omslaan. De schout had immers maar een handjevol 'rakkers' (die in de volksmond vaak als een handje vol vechtersbazen dus als uitschot werden gezien).
Als de burgerij vond dat een arrestatie onterecht was of dat de schout te gewelddadig optrad, braken er geregeld opstootjes of volksrellen uit. Burgers weigerden dan mee te werken, hielpen een gevangene te ontsnappen of belaagden de schout en zijn rakkers in de smalle straten. In extreme gevallen werd het huis van een corrupte schout geplunderd door een woedende menigte.
Tot wanneer had Nederland schouten?
De functie van schout heeft in Nederland formeel bestaan tot 23 juli 1825. Op die dag werd bij Koninklijk Besluit bepaald dat het hoofd van het lokale bestuur in álle gemeenten definitief de titel burgemeester kreeg
Kortom:
In 1600 was macht niet automatisch legitiem. Een schout kon zijn werk alleen effectief doen als hij een subtiele balans bewaarde tussen de belangen van de overheid en het rechtvaardigheidsgevoel van de lokale bevolking. Deed hij dat niet, dan verloor hij zijn belangrijkste wapen: de bereidheid van de burgers om de wet en hem te respecteren.