Een verhaal over handel, oproer, loodsen en walvisvaart.
Loodsen van het Marsdiep, 'rebel Ouwe Kees', handel en de Walvisvaart in de IJszee Wie dacht dat er weinig te beleven viel in de kop van Noord-Holland. Den-Helder pas in 1870 een thuishaven voor de Nederlandse marine kent zijn geschiedenis wel. Beter gezegd, Huisduinen, een klein dorpje er naast was een bruisend leven. De Noordzee en de Noordelijke IJszee speelden daarin een belangrijke rol. We praten over belangrijke commandeurs van handelsschepen in die tijd, we kijken naar de Walvisvaart en we hebben het over het loodswezen, mannen die de schepen door het gevaarlijke Marsdiep voeren, toen nog de enige weg naar Amsterdam. Namen die terugkomen: Als u in de oude documenten van Huisduinen en Den Helder duikt (zoals de registers van de Burgerbewapening en het Oud Rechterlijk Archief), komen specifieke voorouders direct tot leven met functies én een heus strafblad: [1, 2]
- Pieter Cornelisz Jongkees (broer of oom in de lijn van Cornelis uit 1615): In het jaar 1665 en 1672 staat hij officieel genoteerd op de lijst van de Burgerbewapening van Den Helder. Dit betekent dat hij als burger-soldaat met een musket of spies paraat moest staan om de kust te verdedigen tegen de Engelsen. [1]
- Teunis Aarjensz Jongkees (broer van Cornelis uit 1670): Hij staat in 1723 officieel vermeld in de boeken van Den Helder. Hij was loods en deed het felbegeerde loodsexamen om schepen door het Marsdiep te mogen loodsen. [ 1]
- Albert Klaasz Kikkert en Jan Jansz Breet met betrekking tot de handel en commandeurschappen.
- Cornelis Jonkees alias "ouwe Kees" die een oproer tegen onecht leidde.
- Roelof Jongkees die naar Utrecht verhuist.
1. De Loodsen van het Marsdiep: De sleutel tot Nederland
|
Generatie op generatie bezat de familie Jongkees (waaronder Aarjen en **Cornelis in de 17e eeuw) een unieke en soms levensgevaarlijke expertise: het loodsen. Den Helder en Huisduinen waren destijds nog geen marinesteden, maar strategische uitkijkposten aan het Marsdiep. Dit zeegat was de enige toegangspoort voor zwaargeladen VOC- en koopvaardijschepen die op weg waren naar Amsterdam. Het Marsdiep zag er toen nog anders uit dan nu. (zie rechts) Het was een doolhof van verraderlijke, wandelende zandbanken en moordende stromingen. Zonder loods was een schip gedoemd te stranden. Zodra er aan de horizon een schip verscheen, voeren de Jongkeezen in hun kleine, wendbare loodsboten de woeste Noordzee op. Het was een keiharde race tegen de klok én tegen elkaar: de loods die als eerste aan boord van het arriverende schip wist te klimmen, kreeg de klus. Dit werk vroeg om ijzeren zenuwen, een perfecte kennis van het water en grote risico's tijdens zware stormen. Het Loodswezen en de Loodsexamens: De familie Jongkees was diep geworteld in het Loodswezen in Den Helder. Het bevaren van de gevaarlijke zeegaten rond Texel (het Marsdiep) was een exclusief familierecht dat overging van vader op zoon. Zo is in historische documenten bijvoorbeeld terug te vinden dat familieleden (zoals Teunis Aarjensz Jongkees in 1721) officieel loodsexamen deden. |
|
2. Cornelis "Ouwe Kees" Jongkees: De rebel van Huisduinen (1750)
Het Helderse pachtersoproer.
Achter de namen in onze stamboom schuilt een geschiedenis die u niet in de schoolboeken zult vinden. De 17e en 18e eeuw in de Noordkop van Noord-Holland waren geen tijden van luilekkerland. Terwijl de rijke patriciërs en regenten in Amsterdam en Den Haag fortuinen verdienden in hun achterkamertjes, moesten de gewone mensen in de kustdorpen Huisduinen en Den Helder keihard knokken voor elke brok brood op de plank. Onze voorouders, de familie Jongkees, stonden midden in deze rauwe werkelijkheid. Ze waren loodsen, zeevaarders en—wanneer het onrecht te groot werd—onverschrokken rebellen.
Dat de Hollandse kustbewoners zich niet gedwee de wet lieten voorschrijven door de heersende klasse, bewijst onze voorvader Cornelis Cornelisz Jongkees (geboren in 1708). In de archieven van het Hof van Holland staat hij vermeld onder zijn lokale geuzennaam: "Ouwe Kees".
In de 18e eeuw was de corruptie onder de overheid groot. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden draaide het om vriendjespolitiek. Rijke regenten gaven de lucratieve taak om belastingen te innen aan zogenaamde 'pachters'. Deze pachters moesten een vast bedrag afdragen aan de overheid, maar alles wat ze extra uit de zakken van de gewone burgers klopten, mochten ze zelf houden. De pachters klopten de gewone burger wildkramig geld uit de zak voor dagelijkse levensbehoeften zoals zeep, zout en gort. Deze corruptie, leidde niet alleen tot extreme verrijking maar ook tot bittere armoede onder het volk. Dit was niet alleen in Den Helder maar door het hele land.
|
In februari 1750 pikte de Helderse bevolking de financiële uitzuigprakijken en de verborgen agenda's van de regenten niet langer. Het Helderse Pachtersoproer barstte los.De Opstand in de NoordkopToen de belastinggaarders de accijnzen hardhandig kwamen opeisen, sloeg de vlam in de pan. Onder leiding van de charismatische, 41-jarige Cornelis "Ouwe Kees" Jongkees kwamen de lokale loodsen en walvisvaarders in verzet. Kantoren van de belastingpachters werden omsingeld en de ambtenaren werden het dorp uitgejaagd. Voor de vissers was dit puur zelfbehoud tegen een overheid met een verborgen agenda die hen financieel probeerde uit te knijpen. |
|
Het Proces in Den Haag:De regenten schrokken hevig van de Helderse rebellie. Loodsen waren immers stoere, sterke mannen die niet bang waren voor een stootje. De overheid stuurde soldaten om de orde te herstellen. Cornelis Jongkees werd samen met een aantal andere kopstukken in de boeien geslagen. Hij werd overgebracht naar de beruchte Gevangenpoort in Den Haag, waar het Hof van Holland hem berechtte wegens opruiing en rebellie. [ 1 ]De afloop:Hoewel de straffen voor opstandelingen destijds gruwelijk konden zijn (zoals geseling of verbanning), had Ouwe Kees het geluk aan zijn zijde. De politieke situatie in het land was zo explosief dat de nieuwe Stadhouder Willem IV vreesde dat zware straffen tot nóg grotere landelijke opstanden zouden leiden. Cornelis werd na een zware en intimiderende detentieperiode uiteindelijk vrijgelaten met een zware boete en een officiële waarschuwing om zich koest te houden. Hij keerde terug naar Huisduinen, waar hij door zijn dorpsgenoten als een held werd ontvangen en zijn werk als loods en walvisvaarder weer oppakte. [ 1 , 2 ] |
|
|
Hoewel het grote Pachtersoproer in 1748 in steden als Amsterdam en Groningen losbarstte, bleef het in de jaren daarna onrustig in de provincie. In februari 1750 pikte de Helderse en Huisduiner bevolking de alsmaar stijgende belastingen op dagelijkse levensbehoeften (zoals gort, zeep en zout) niet langer.Een les voor politici van nu:Als je nu kijkt is er niet veel veranderd. Nog steeds, of misschien wel een beetje meer anno 2026, laten mensen het weten dat ze 'het zat zijn'. Een kleine 300 jaar terug waren Nederlanders al wars van 'oneerlijke' praktijken, verborgen politieke agenda's. Persoonlijke belangen worden snel gezien en uiteindelijk niet gepikt. Dat is nu niet anders.Eens luisteren naar wat er onder het volk heerst is een gebod voor degene die het land besturen. Het gaat niet om wie gelijk heeft. Het gaat om oprechtheid, rechtvaardigheid en vooral, dat men gehoord wil worden. "Een overheid is er voor het volk. Niet anders om." Dit is één van de vier basiselementen van een goede democratie. |
3. De Koningen van de IJszee: De jacht op het vloeibare goudOuwe Kees was niet zomaar een visser; in de officiële processtukken werd hij omschreven als "loods en visser op Groenland". Door zijn huwelijk met Lijsbeth Albert Kikkert (en de eerdere connectie met de familie Breet) was de familie Jongkees innig verbonden met de absolute 'royalty' van de Nederlandse walvisvaart. Ieder voorjaar lieten de mannen hun gezinnen achter om aan boord te stappen van robuuste, met extra hout verstevigde driemasters. Ze voeren onder leiding van legendarische commandeurs (kapiteins) zoals Albert Klaasz Kikkert en Jan Jansz Breet richting de ijskoude poolzeeën rond Spitsbergen en Jan Mayeneiland. Ze voeren op schepen met trotse, symbolische namen zoals De Jonas in de Walvis en De Goede Hoop. De sfeer aan boord was soms onmenselijk zwaar. Maandenlang leefden de mannen in bittere kou, omringd door de geur van pekel, tabak en jenever. Zodra uit het kraaiennest "Val, val!" werd geroepen, werden de kleine roeibootjes gestreken. Met de hand moesten ze een harpoen in een walvis van 60.000 kilo slaan. Eén klap van de staart betekende een wisse dood in het ijskoude water. Binnen enkele minuten was je onderkoelt en kon je het niet navertellen. Bij een succesvolle vangst werd het spek aan boord in vaten gestouwd. Bij thuiskomst op de Rede van Texel in het najaar brachten de loodsen de schepen veilig binnen. De dorpen Huisduinen en Den Helder veranderden direct in een koortsachtige fabriek. In de lokale traankokerijen—destijds berucht als de **"stinckerijen" vanwege de penetrante, kilometersver te ruiken lucht van smeltend vet—werd het spek uitgekookt tot traan. Deze kostbare olie was de 'brandstof' van de Gouden Eeuw, gebruikt voor straatverlichting en zeep. Het succes van deze levensgevaarlijke poolreizen zorgde ervoor dat gezinnen zoals de Jongkeezen de bittere wintermaanden konden overleven.
De Walvisvaart (Groenlandvaarders):De achternamen Breet en Kikkert (waarmee onze voorvaders Cornelis en Aarjen in 1670 en 1650 trouwden) waren destijds de grote reders en commandeurs van de Groenlandse walvisvaart. In de 17e en 18e eeuw voeren deze mannen in het voorjaar naar de Noordpool om op walvissen te jagen. Dit leverde veel geld op, waardoor deze families lokaal aanzien en invloed hadden. Mannen uit deze families waren vaak Commandeurs (kapiteins) op de Groenlandvaarders. Zij voeren in het voorjaar naar de ijszeeën rond Spitsbergen om op jacht te gaan naar de Groenlandse walvis. De sfeer aan boord van zo'n schip was extreem zwaar: maandenlang in de bittere kou, het zware en gevaarlijke handwerk van de harpoenering, en het aan boord verwerken van het spek tot traan. Kwam een commandeur heelhuids en met een vol schip terug, dan was hij in één klap rijk. |
|
Hoe zag die "sfeer" eruit in de 17e en 18e eeuw?
|
De winterse voorbereiding:In de wintermaanden lag het leven in Huisduinen stil. In de taveernes werd er met de families Breet en Kikkert besproken wie er in het voorjaar mee mocht op de grote reis. Jongens van 14 à 15 jaar gingen al mee als 'speksnijdersmaat'.Het vertrek in april:De schepen (Groenlandvaarders) vertrokken vanaf de Rede van Texel richting Spitsbergen en Jan Mayeneiland. De reis duurde maanden. Aan boord was het ijskoud, rook het naar ingezouten vlees, jenever en tabak, en was het risico op schipbreuk door pakijs levensgroot. |
De jacht:Zodra er vanaf het kraaiennest "Val, val!" (walvis in zicht!) werd geroepen, sprongen de mannen in kleine roeibootjes (sloepen). Het was een doodsverachtend werk: met de hand een harpoen in een kolos van 60.000 kilo slaan. Als de walvis met zijn staart sloeg, sloeg de sloep om en overleefde je het ijskoude water vaak niet.Smeerenburg en de "Stinckerijen":Als de walvis dood was, werd hij langs het schip gesleept en werd het spek met grote messen losgesneden (flensen). In de vroege periode (17e eeuw) werd dit spek aan land gekookt tot traan in nederzettingen zoals Smeerenburg op Spitsbergen. Later werd het spek in vaten aan boord opgeslagen en pas bij terugkomst in Nederland uitgekookt. Die traankokerijen stonden destijds officieel bekend als "stinckerijen" vanwege de ondraaglijke, penetrante lucht van smeltend walvisvet die kilometers ver te ruiken was. |
|
|
De beloning:Traan was de 'olie' van de Gouden Eeuw; het werd gebruikt voor straatverlichting, lampolie en het maken van zeep. Een succesvolle vangst maakte commandeurs (zoals de Kikkerts) steenrijk en zorgde ervoor dat gezinnen zoals de Jongkeezen een hele winter comfortabel konden leven.Wat waren de producten van de Walvisvangst: (In het kort)
|
De Commandeurs (Kapiteins)
In de registers van de walvisvaart duiken de Kikkerts en Breets constant op als Commandeurs. Zij waren de absolute gezagvoerders op de schepen. Bekende commandeurs uit die tijd waren: [ 1 ] Albert Klaasz Kikkert (de vader of directe familie van Lijsbeth). Hij stond bekend als een zeer ervaren ijszee-navigator die jaar na jaar met een vol schip vol traan terugkeerde naar de Rede van Texel. [ 1, 2 ] Jan Jansz Breet en Maarten Jacobsz Breet. Zij voeren in exact dezelfde decennia als uw voorouders (17e en 18e eeuw) als commandeurs op de Noordelijke IJszee. [ 1 ] In de 18e eeuw had de term commandeur binnen de burgervaart (de civiele/commerciële scheepvaart) een specifieke en zeer gerespecteerde betekenis. Het verwees niet naar een militaire rang van de marine, maar naar de gezagvoerder en operationeel leider van een walvisvaarder
De Scheepsnamen
De schepen waarmee uw aangetrouwde familieleden de ijszeeën trotseerden, droegen vaak trotse, symbolische of religieuze namen. De schepen waren zwaargewapende, robuuste driemasters (fluiten of fregatten), speciaal versterkt met extra hout aan de boeg om door het pakijs te kunnen beuken. Typische scheepsnamen van de Huisduiner/Helderse walvisvloot uit hun stal waren onder andere:- "De Jonas in de Walvis" (Een zeer populaire en symbolische naam onder walvisvaarders)
- "De Hoop" of "De Goede Hoop"
- "De Groenlandia"
- "De Jager"
4. Het einde van een tijdperk
Het ruige leven in Huisduinen:
Tot het einde van de 18e eeuw stelde Den Helder nog niet zoveel voor; de echte dorpskern was het naastgelegen Huisduinen . Uw oudste voorvaders (Cornelis uit 1615 en Aarjen uit 1650) woonden in een Huisduinen dat constant bedreigd werd door de stuivende duinen en de zee. Het waren hechte, vaak vrome (doopsgezinde of gereformeerde) gemeenschappen die leefden van de zee, het bergen van gestrande schepen en het loodsen.De omslag naar het boerenleven (Vader Roelof Jongkees – begin 19e eeuw):
Dat vader Roelof rond 1810 naar de polder Wieringerwaard trok, markeert een pijnlijke historische breuk. Door de Franse bezetting en de Engelse zeeblokkades (het Continentaal Stelsel) lag de zeevaart volledig stil. De eens zo trotse zeemansfamilie Jongkees moest het roer letterlijk omgooien en werd gedwongen werk te zoeken in de landbouw of als (polder)arbeider in de jonge Noord-Hollandse polders.De Rede van Texel:
In de 17e en 18e eeuw verzamelden de oorlogsschepen van de Admiraliteiten (de voorloper van de Marine) zich niet in een Helderse haven, maar op de Rede van Texel (de beschutte wateren tussen Texel en Wieringen). Den Helder en Huisduinen waren toen nog relatief arme vissers- en loodsendorpen langs de zeedijk. [ 1]De komst van Napoleon (1811):
De echte transformatie naar dé marinestad van Nederland is direct te danken aan Napoleon Bonaparte. In het najaar van 1811 bracht hij een inspectiebezoek aan Den Helder. Hij keek vanaf de zeedijk uit over het Marsdiep en zag direct de enorme strategische waarde van de landtong. Napoleon noemde het enthousiast het "Gibraltar van het Noorden". Hij gaf de waterbouwkundige Jan Blanken de opdracht om een gigantische, onneembare marinehaven en werf te bouwen: Willemsoord. Tegelijkertijd liet hij een ring van zware forten bouwen (de Stelling Den Helder). [ 1 , 2, 3 , 4, 5]De zeevarende bloei van onze Helderse voorouders kwam begin 19e eeuw abrupt tot stilstand door de Franse bezetting onder Napoleon en de Engelse zeeblokkades.
De verhuizing naar Utrecht voor Roelof Jongkees
De nieuwe situatie dwong de trotse zeemansfamilie Jongkees tot een historisch besluit. Vader Roelof Jongkees (1782) pakte rond 1810 zijn biezen en verruilde de zilte zeelucht van Den Helder voor de vruchtbare klei van de nieuwe polder Wieringerwaard. Het was het begin van een landwaartse migratie die de familie uiteindelijk naar de provincie Utrecht zou brengen—waar zijn dochter Aagje Jongkees jaren later haar Willem Visser zou ontmoeten.De mensen in de kop van Noord-Holland lieten een ongekende maritieme erfenis achter van moed, keihard werken en een onbreekbare wil om te vechten tegen onrecht. Een geschiedenis die niet prominent in de schoolboeken staat maar weldegelijk een werkelijkheid is geweest in ons land.